Tagarchief: journalist den haag

En dat voor slechts drie strippen – Column Paul Waayers

Op maandag 10 januari vervoegde ik mij omstreeks 13:45 bij de lijn 3 halte Appelstraat. In een voormalig winkelpand is nu een wisselpost van de HTM gevestigd. Trambestuurders lossen elkaar bij die halte af. Op het tramperron zag ik hem al staan, de trambestuurder die het tramroer richting centrum zou overnemen. Een man met rood stekelhaar, een gelaatsuitdrukking dat een bloeddruk van 400 bar verried en een oogopslag van waaruit een intense haat jegens de mensheid in het algemeen en trampassagiers in het bijzonder sprak.

En jawel, amper had hij op zijn bestuurdersstoel plaats genomen, de deuren gesloten of de wielstellen braakten een vonkenregen, veroorzaakt door de slippend accelererende stalen wielen op de rails. Toen de wielen weer grip kregen op de stalen linten, werd menigeen, die ruggelings de rijrichting zat, door de bijna bovennatuurlijke krachten die dit acceleratieproces tot gevolg had, uit zijn zetel geheven om bovenop degene te belanden die tegenover hem zat.

Ik had mij vastgeklemd aan een paal en terwijl ik daaraan als een windvaantje horizontaal wapperde, zag ik dat bejaarden die ook stonden, let op de verleden tijd ‘stonden’, voorbijvlogen richting achterste rijtuig, doorgaans de habitat van scholieren, alwaar ze, daar aangekomen, in een buiklanding een brandstichting en aanpalende vechtpartij bij het jonge volkje verstoorden, die daarop blijk gaven van een grote kennis betreffende het Groot Oncologisch Woordenboek, dat zij zomaar uit hun hoofd in zijn geheel wisten te declameren. Even een zijspoor, vergeef mij de flauwe woordgrap, ik heb nooit geweten dat VMBO-scholieren, met hun grote kennis van terminale ziektebeelden, kennelijk dromen van een studie medicijnen, maar dit terzijde.

Bij het remmen ter hoogte van de halte Zonnebloemstraat, waarbij de remmen, wederom in een vonkenregen gilden om genade en mijn windvaanlichaamstaal zich 180 graden draaide aan mijn paal, vlogen ze weer naar hun oude plek terug. Toegegeven, daar zat op zich wel enige structuur in. Bij de halte Valkenbosplein had menigeen het gehad en stapte, hoe Haags wilt u het hebben, groen-geel van misselijkheid uit.

En dit was pas het begin. Want de specialiteit van de betreffende bestuurder was het bochtenwerk waarbij de meest spectaculaire achtbaan tot een laf aftreksel verbleekt.

Met een bloedgang stoomde onze strippenkaartpiloot op de bocht Laan van Meerdervoort-Waldeck Pyrmontkade af. Door de centrifugale krachten die daarop in het tramstel ontstonden, vlogen maar liefst twee vrouwen mijn richting uit. Het waren Nederlandse vrouwen met konten als tractorbanden en reeds enige tijd over de uiterste houdbaarheiddatum heen, hetgeen waar te nemen is aan een toenemend rimpelveld tussen de borsten, dus niet direct mijn typen. Godzijdank was de halte Van Speijkstraat niet echt ver en door de ruw-korte remweg verdwenen ze weer even plots als ze gekomen waren. 
Op de linksombocht Lijnbaan-Prinsengracht reed de tram even op uitsluitend de rechterwielen. De slagzij die de rijtuigen maakten, was ronduit sensationeel. Menigeen ervoer de kick van tram-surfen. Na de bocht kwakte het tramstel weer terug in de sporen en peuterde menigeen zijn tanden en dito vullingen uit de vasthoudstangen, kotste een meisje van circa 13 haar maaginhoud ongecontroleerd in een kinderwagen, waarop de zich aldaar bevindende baby begon te krijsen, terwijl de 14-jarige tienermoeder van de kleine met een PsychQ blik leeg voor zich uitstaarde.

Bij de halte Brouwersgracht gierden de remmen, die door het slijtageproces achtkantig begonnen te worden, met het geluid van staal op staal voor de zoveelste keer om genade en kwam aan een beroving in het achterste tramstel abrupt een einde. Zowel messen als mobieltjes van respectievelijk daders en slachtoffers schoven naar voren en vielen voor mijn voeten neer. Ik stapte uit met een mobieltje van de laatste generatie die, naast bellen, internetten en e-mailen, ook nog koffie kon zetten en mijn kont afvegen, plus een complete messenset, in de meest uiteenlopende uitvoeringen, voor mijn bestekbak.

foto van tram in Den Haag op de Lange Vijverberg
Tram op de Lange Vijverberg, Den Haag,

Ik vond het geweldig. Ik koester dit soort trambestuurders. Het zijn mannen met een missie. Het zijn de Virtuozen van de Stalen Sporen. De laatste Ridders zonder Vrees of Blaam.

Mannen met klootballen als kokosnoten die tot het uiterste gaan. Kunstenaars ook, omdat zij zoiets dagelijks als een tramrit tot de ultieme doodservaring weten te transformeren.

Mijn reistip: vervoeg u bij de halte Appelstraat. Kijk welke bestuurder er in- en uitstapt. Wacht net zolang totdat u een rood-stekelharige man met een aura van eeuwenlange opgekropte pure mensenhaat plaats ziet nemen in de cabine. Die tram moet u nemen. De rit is gelijk een kosmisch spirituele ervaring waarin de zin van het bestaan, gemarineerd in de nodige bijna dood-ervaringen u zal louteren en mee zal voeren naar een definitieve Staat van Verlichting. En dat voor slechts 3 strippen.

De muizenissen van mijn dochter – Column Paul Waayers

De dierenliefde van mijn dochter Josephine gaat ver, heel ver. Paardrijden is haar ding, al jaren. Steevast sleept ze de eerste prijzen in de wacht met dressuurwedstrijden wat mij dan weer de uitspraak ontlokt van: “Je gunt die andere kinderen dan ook niks, hè? Ik vind het behoorlijk a-sociaal dat je nooit eens een keer verliest.”
Dan wordt Josephine kwaad en dat is goed. Kinderen moeten wat te klagen hebben over hun ouders. Dat houdt de onderlinge verhouding scherp en goed. 
Josephine heeft echter niet alleen oog voor grote dieren, ook piepkleine wilde muisjes mogen zich in haar aandacht verheugen. Samen met haar vriendin Milu was ze enige tijd vrijwilligster in knaagdierenopvang het Knagertje. Op een goede dag was een wild muisje kennelijk haar moeder kwijtgeraakt en strompelde meewarrig over de betonnen vloer. Josephine en Milu waren verkocht. Dit beestje diende gered te worden van zowel de eenzaamheid als van een wisse dood. Het in leven houden van een piepklein muisje valt nog niet mee. Het beestje diende een week lang met een pipet met roommelk gevoed te worden. Om de drie uur. Dus ook ’s nachts rinkelde de wekker een tweetal malen. Met waterige oogjes namen Milu en Josephine dan de pipet ter hand en voerde het muisje liefdevol. De ontroering verdreef hun slaap moeiteloos. Ik ervoer dat heel anders. Verder dan ‘godverdegogver, gaat die teringkutwekker nu al weer?’ kwam mijn diervriendelijkheid op die nachtelijke momenten niet. Bestraffend keken Josephine en Milu mij dan aan terwijl zij hun pipet-subtiele fouragering van het muizenmaagje voortzette. En verbeeldde ik het mij, of keek het muisje mij eveneens met een afkeurende blik aan? De nacht doet gekke dingen met een mens als die door zijn remslaap heenschiet. 
Aangesterkt door de onmetelijke dierenliefde en de roommelk schoot het muisje op een nacht energiek uit Milu’s handen. En dan blijkt een huis toch wel heel veel verborgen hoekjes te hebben. Na drie uur speuren, het begon al licht te worden, kwam Josephine met een plan. Een schoenendoos, met daartegen een liniaal en een sterk stukje geurende brie. De muis zou de brie ruiken en in een sfeer van: “Ha we eten brie vandaag!” de liniaal oprennen en in een vrije val de schoenendoos inkletteren. Ik vond het een bezopen plan. Maar de volgende ochtend bleek dat het wel werkte. Voldaan lag het muisje te slapen naast een aangeknaagd stukje brie. Ik verbeelde me zelfs dat zijn linkervoorpootje behaaglijk over het muizenbuikje streelde. Josephine heeft nu haar zinnen gezet op een verwaarloosde kat. Ik hou mijn hart vast. Een kat! Die éten toch eh… muizen? Ik woon nu even in een daklozenopvang. Het huis is een tikje te klein voor zoveel dierenliefde en een volwassen vent van 54.

foto van kat ter ondersteuning van de column van Paul
Dierenliefde

Vakantie 1965 – column Paul Waayers

De huidige vakantiegekte van jaarlijks meerdere malen naar verafgelegen oorden afreizen, is niet ‘van alle tijden’. 
Zo ging in 1950 ‘slechts’ 18 procent van de Nederlanders wel eens met vakantie. 
Vaak betrof het een driedaagse logeerpartij bij familie of verblijf in een pension.

Er bestaan nog zwart/ witfoto’s van mijn familie, waar het hele gezin op rijwielen met terugtrapremmen en lekgrage stopverf-banden van Den Haag naar familie in Maastricht pedaleerden. Een dagenlange en bandplak-intensieve tocht met overnachten bij ‘de boer’. Deze periode is aan mij voorbij gegaan. Ik ben van later, van halverwege jaren vijftig, jaren van wederopbouw en van voorzichtig toenemende welvaart. Een welvaart die nog voorzichtiger ook ons gezin indruppelde.

In de zomer van 1965 bleven de fietsen in het schuurtje. Want bij Garage Valkenbosch in de Indigostraat had mijn vader een Opel Rekord stationcar gehuurd, waardoor het drie auto’s tellende straatbeeld tijdelijk met een vierde voertuig, ‘onze’ Opel, werd uitgebreid. Eén keer in het jaar hadden ook wij een auto.

Dat alleen al was… vakantie.

Veiligheidsgordels anno 1965? Waren er niet. Nee, wij werden kordaat met z’n allen de Rekord in ge-schoenlepeld, gevolgd door wat achterhoedegevechten om een plekkie bij het raampje en hoppakee, daar gingen we dan. 
Op naar het 250 km verderop gelegen Berg en Terblijt, toen een gehucht (nu een villadorp) tussen Maastricht en Valkenburg. Eindpunt van de reis was ’t Höfke, een boerderij die gerund werd door boerenechtpaar Guus en Sjaan. Maar wij mochten oom Guus en tante Sjaan zeggen, hetgeen altijd een beetje raar aanvoelde, omdat het geen ‘echte’ oom of tante betrof. Bovendien spraken deze mensen een soort buitenlands met veel zachte ‘G’s’, waar met de beste wil van de wereld geen molecuul Haags in te horen was.

Bij boerderij ’t Höfke stapten wij, Haagse bleekneusjes, een totaal andere wereld dan de onze binnen. 
De wereld van eieren rapen in het kippenhok, varkens voeren, koeien melken, het slachten van een kip (Getverdegetver! Doen ze dat hiero zo!?) en ook het ploegen. 
Samen met de knoestige oom Guus reed ik dan mee op de Steyr-tractor naar het om te ploegen veldje. Was de ploeg aangekoppeld, dan mocht ik op het grote stalen tractorzadel plaatsnemen, waarna oom Guus de Steyr in zijn ‘stationair’-stand zette en de tractor stapvoetsgewijs de ploeg door het veld trok met mij alleen aan boord. 
Terwijl oom Guus naast de voortsukkelende tractor door het veld beende, voelde ik mij, 10 jarig Haags piechempje, achter het grote drie-spakige stuurwiel, heer en meester van het stalen Steyr-mechaniek. 
Genoot van het lome poekeldepoekel-dieselgeluid en de wiebelende weg die de trekker volgde in de sporen van het veld. Aan het eind van een ploegbaan het spannende moment van op tijd een u-turn maken. Anders was de sloot het eindpunt van de Steyr. 
De natuur is natuurlijk mooi. Maar zo’n klomp staal dat als een soort prutteldepruttel-scheepje zich door het veld ploegde; daar genoot ik toch meer van.

Na twee weken werden we weer in de Opel Rekord geperst. De vakantie was voorbij, de koek was op, nog effe tanken in Maastricht en dan weer terug naar Den Haag. Een rit met als fouragering witte puntjes met zwetende kaasplakjes, een dermate hard gekookt ei waarmee je moeiteloos een etalageruit in kon keilen, een banaan met op de schil het patina van zacht-bruine plekken en lauw-krachteloos geworden limonadegazeuse in een plakkerige fles. 
Want de zomers waren toen nog zomers en een airco, wat was dat eigenlijk?

Terug gekomen in onze straat werden wij, de vuile was en etensresten ontscheept. Na dat proces was de Opel even onbeheerd. 
Ik zag mijn kans schoon en kroop stiekem achter het stuur van het stilstaande voertuig. Ik genoot. Fantaseerde lange autoritten.

Ik speelde… mijn vader.

Later mocht ik met hem mee de auto terugbrengen naar Garage Valkenbosch, een veel te korte rit. 
De daarop volgende wandeling naar huis voelde opeens armoedig aan. 
De vakantie was nu echt afgelopen.

Zwerfhond – column door Paul Waayers

In de kleine rugzakauto, zo`n Japannertje waar je niet in stapt maar wat je aantrekt, reed ik gisteravond met vrouw en dochter Josephine van 14 op de achterbank huiswaarts. De regen kwam met herfstachtige bakken uit het nachtelijke zwerk. Het was voor de ruitenwissers, die als driftig zwaaiende babyhandjes heen en weer zwiepten, bijna geen doen om nog behoorlijk zicht te verschaffen op het glinsterende zwarte wegdek. Plots, ter hoogte van de Lutherse Burgwal, een zwarte vierpotige schim op het asfalt. Een grote hond met een zwaar ogende, doorweekte vacht stak plots over. Ik remde en het autootje glibberde over het wegdek gelijk een klontje boter in een hete koekepan. 
”Jezus, pap, kijk uit. Je had `m bijna geraakt!” orakelde de achterbank. 
Terwijl ik, tijdens het weer op koers brengen van het autootje, mijn bloeddruk weer een paar bar terug probeerde te ademen, sjokte de hond doodgemoedereerd verder richting Boterwaag. 
”We moeten hem proberen te vinden en dan meenemen, je kan toch zo`n beest niet in dit weer laten lopen,?” leefde dochterlief mee.

Deze mededeling in combinatie met haar wilskracht deed de bloeddruk weer hydraulisch opjagen. Een even kolossale als kletsnatte hond met mogelijk een onaangepast karakter in de schoendoosformaatachtige ruimte achter de achterbank en bovendien waar moet je met zo`n beest heen? Mee naar huis? Daar geen mand, eten, niks. Verbale creativiteit in combinatie met ijzersterke argumentatie was geboden. Het kon niet, het mocht bij wet niet, misschien was het baasje wel op zoek naar de hond of omgekeerd. We hadden geen vergunning, geen poepzakje, geen hondenbrokken, de cavia zou psychotisch worden, hondenbelasting was mogelijk naheffend onbetaalbaar, etc. En jawel, met deze stortvloed aan zinnige en onzinnige argumenten sloeg ik toch een lek in haar wilskracht. Op de Lijnbaan begon echter bij mij het knagen van het geweten. Ach, zo`n beest moederziel alleen. Met liters ijskoud water samengesponst in zijn vuistdikke vacht waaronder een uitgemergeld hondenlijf. Hongerig. Verlaten. Verdreven Verstoten. Ongewenst. Alleen op de wereld. Hector Malot. Dat werk. En dus reden we terug. De regen kwam nu echt met natte moessonallure naar beneden. In het Westeinde trokken we ons kleine autootje uit. Gelijk de hond waren we in een mum van tijd tot op de draad doorweekt. 
Het beest niet gevonden natuurlijk. Zo`n hond trekt zijn eigen plan. Na een half uur zoeken had de regen ons geweten schoongespoeld. We hadden ons best gedaan. Sommige dingen gebeuren nu eenmaal zoals ze gebeuren. `s-Nachts toch nog geruime tijd wakker gelegen. Waar zou ie nu zijn?

Paul Waayers