Tagarchief: sjoerd van der hucht

Vakantie 1965 – column Paul Waayers

De huidige vakantiegekte van jaarlijks meerdere malen naar verafgelegen oorden afreizen, is niet ‘van alle tijden’. 
Zo ging in 1950 ‘slechts’ 18 procent van de Nederlanders wel eens met vakantie. 
Vaak betrof het een driedaagse logeerpartij bij familie of verblijf in een pension.

Er bestaan nog zwart/ witfoto’s van mijn familie, waar het hele gezin op rijwielen met terugtrapremmen en lekgrage stopverf-banden van Den Haag naar familie in Maastricht pedaleerden. Een dagenlange en bandplak-intensieve tocht met overnachten bij ‘de boer’. Deze periode is aan mij voorbij gegaan. Ik ben van later, van halverwege jaren vijftig, jaren van wederopbouw en van voorzichtig toenemende welvaart. Een welvaart die nog voorzichtiger ook ons gezin indruppelde.

In de zomer van 1965 bleven de fietsen in het schuurtje. Want bij Garage Valkenbosch in de Indigostraat had mijn vader een Opel Rekord stationcar gehuurd, waardoor het drie auto’s tellende straatbeeld tijdelijk met een vierde voertuig, ‘onze’ Opel, werd uitgebreid. Eén keer in het jaar hadden ook wij een auto.

Dat alleen al was… vakantie.

Veiligheidsgordels anno 1965? Waren er niet. Nee, wij werden kordaat met z’n allen de Rekord in ge-schoenlepeld, gevolgd door wat achterhoedegevechten om een plekkie bij het raampje en hoppakee, daar gingen we dan. 
Op naar het 250 km verderop gelegen Berg en Terblijt, toen een gehucht (nu een villadorp) tussen Maastricht en Valkenburg. Eindpunt van de reis was ’t Höfke, een boerderij die gerund werd door boerenechtpaar Guus en Sjaan. Maar wij mochten oom Guus en tante Sjaan zeggen, hetgeen altijd een beetje raar aanvoelde, omdat het geen ‘echte’ oom of tante betrof. Bovendien spraken deze mensen een soort buitenlands met veel zachte ‘G’s’, waar met de beste wil van de wereld geen molecuul Haags in te horen was.

Bij boerderij ’t Höfke stapten wij, Haagse bleekneusjes, een totaal andere wereld dan de onze binnen. 
De wereld van eieren rapen in het kippenhok, varkens voeren, koeien melken, het slachten van een kip (Getverdegetver! Doen ze dat hiero zo!?) en ook het ploegen. 
Samen met de knoestige oom Guus reed ik dan mee op de Steyr-tractor naar het om te ploegen veldje. Was de ploeg aangekoppeld, dan mocht ik op het grote stalen tractorzadel plaatsnemen, waarna oom Guus de Steyr in zijn ‘stationair’-stand zette en de tractor stapvoetsgewijs de ploeg door het veld trok met mij alleen aan boord. 
Terwijl oom Guus naast de voortsukkelende tractor door het veld beende, voelde ik mij, 10 jarig Haags piechempje, achter het grote drie-spakige stuurwiel, heer en meester van het stalen Steyr-mechaniek. 
Genoot van het lome poekeldepoekel-dieselgeluid en de wiebelende weg die de trekker volgde in de sporen van het veld. Aan het eind van een ploegbaan het spannende moment van op tijd een u-turn maken. Anders was de sloot het eindpunt van de Steyr. 
De natuur is natuurlijk mooi. Maar zo’n klomp staal dat als een soort prutteldepruttel-scheepje zich door het veld ploegde; daar genoot ik toch meer van.

Na twee weken werden we weer in de Opel Rekord geperst. De vakantie was voorbij, de koek was op, nog effe tanken in Maastricht en dan weer terug naar Den Haag. Een rit met als fouragering witte puntjes met zwetende kaasplakjes, een dermate hard gekookt ei waarmee je moeiteloos een etalageruit in kon keilen, een banaan met op de schil het patina van zacht-bruine plekken en lauw-krachteloos geworden limonadegazeuse in een plakkerige fles. 
Want de zomers waren toen nog zomers en een airco, wat was dat eigenlijk?

Terug gekomen in onze straat werden wij, de vuile was en etensresten ontscheept. Na dat proces was de Opel even onbeheerd. 
Ik zag mijn kans schoon en kroop stiekem achter het stuur van het stilstaande voertuig. Ik genoot. Fantaseerde lange autoritten.

Ik speelde… mijn vader.

Later mocht ik met hem mee de auto terugbrengen naar Garage Valkenbosch, een veel te korte rit. 
De daarop volgende wandeling naar huis voelde opeens armoedig aan. 
De vakantie was nu echt afgelopen.